De Baduy-stam, ook wel bekend als de Sunda Badui, is een groep inheemse Sundanese mensen in het binnenland van het district Lebak, in de provincie Banten. Ze tellen zo’n 26.000 mensen; het is een groep die zich afsluit van de buitenwereld.
Ze leven om de cultuur die hun voorouders hebben doorgegeven in stand te houden. Ze leven zonder technologie of elektriciteit en dragen geen schoenen of sandalen en gebruiken geen telefoons.
De Badui noemen zichzelf Urang Kanekes. 'Urang' betekent 'mensen' in het Soendese, en 'Kanekes' is de naam van hun heilige gebied, gelegen in het Kendeng-gebergte in het zuiden van Banten, op Java. De Badui vertrouwen op een gecontroleerde omgang met de buitenwereld om de tradities van hun groep in stand te houden en weerstand te bieden tegen de islamisering.
Het vermogen van de Badui om hun mysterieuze imago te behouden door de contacten met de buitenwereld te beperken, is hun kracht. Ze houden niet van contact met buitenlanders en doen nogal geheimzinnig over hun tradities. Op Java staan ze bekend om hun bovennatuurlijke krachten, en ze maken die reputatie helemaal waar.
Hoe lang de Badui al in afzondering leven, is nog onduidelijk. Er is maar weinig bekend over hun culturele achtergrond, behalve dat hun religie elementen uit zowel het hindoeïsme als het boeddhisme bevat. Hun verhaal over het verzet tegen de islam komt naar voren in verschillende lokale legendes, die de oorsprong van de Badui in de 16e eeuw plaatsen, toen Padjajaran, het laatste Sundanese koninkrijk, viel in handen van islamitische veroveraars. Volgens de legendes kwamen de Badui in opstand tegen de islam, verloren ze de strijd en vluchtten ze naar de bergen, waar ze nu nog steeds wonen.
In 1931, tijdens het Nederlandse bewind, werden de Badui ervan gered hun huidige thuisland te moeten verlaten dankzij dr. Mulhenfeld, de directeur van het Departement van Binnenlandse Zaken van West-Indië, die weigerde in te stemmen met een voorstel om hen te verhuizen. Hun brandlandlandbouw werd gezien als een bedreiging voor de bossen van Banten, waardoor de watervoorziening voor irrigatie in de laaglanden in gevaar kwam. Maar nadat hij Kanekes had bezocht, kwam dr. Mulhenfeld tot de conclusie dat een verhuizing fataal zou zijn voor de Badui-cultuur. Vandaag de dag, in het onafhankelijke Indonesië, blijven de Badui hun culturele erfgoed beschermen, ondanks pogingen van de overheid om hen via bekering tot de islam in de bredere samenleving te integreren.
De Badui willen geen slachtoffers van verandering zijn. Ze geloven dat ze de taak hebben om de harmonie en het evenwicht in het universum te bewaren, wat afhangt van het behoud van hun cultuur. Om bescherming te garanderen, is de Badui-gemeenschap verdeeld in twee groepen. De ‘innerlijke Badui’, oftewel de heilige leden van de hiërarchie, wonen in drie heilige dorpen in de Taneh Larangan, oftewel het ‘Verboden Gebied’. Ze beschermen hun gemeenschap tegen invloeden van buitenaf om de zuiverheid te waarborgen. Verschillende buyut (tabu’s) leggen hen afzondering op en verbieden de invoer van welke vorm van technologie dan ook (behalve mesbladen). De gelovigen zorgen er ook voor dat buitenstaanders geen toegang krijgen tot hun gemeenschap.